Middeleeuwse stadsscholen
Tot de twaalfde eeuw was onderwijs in geestelijke en maatschappelijke functies vooral een taak van de kloosters. Vanaf de elfde en twaalfde eeuw kwam hier verandering in: de opkomst en sterke groei van de steden verlangde dat steeds meer mensen konden lezen, schrijven en rekenen, en besturen. Hiervoor kon men nu ook terecht in stadsscholen. Het Latijn vormde een vast onderdeel in de opleiding. Hierdoor ontstond een vraag naar handschriften van klassieke teksten. Deze handschriften bevatten meestal niet alleen een tekst, maar ook een commentaar. Populair waren onder andere de Latijnse spraakkunst van de Romeinse grammaticus Aelius Donatus (uit vierde eeuw), satirische gedichten uit de oudheid van Horatius, Persius of Juvenalis vanwege de alledaagse onderwerpen en aanwijzingen voor een deugdzaam leven, en ook de Aeneis van Vergilius of de Metamorphosen van Ovidius. Met de komst van de stadsscholen veranderde ook het formaat van de handschriften: voor onderwijs in schoollokalen was een handzamer boeken met één kolom tekst eerder geschikt dan de flinke boeken uit de kloosterbibliotheek met twee kolommen tekst.