Karolingische renaissance
De wedergeboorte van de laatklassieke en vroegchristelijke cultuur en wetenschap in een christelijke omgeving ten tijde van Karel de Grote en zijn navolgers (achtste tot twaalfde eeuw) wordt de Karolingische renaissance genoemd. Onder Karel de Grote was Europa voor het eerst sinds de val van het Romeinse Rijk weer één groot rijk geworden. Velen zagen Karel de Grote als opvolger van de grote christelijke keizers zoals Constantijn de Grote (288-337). De Karolingers kregen grote bewondering voor laatantieke en vroegchristelijke werken en voor het Latijn. Ook haalden zij inspiratie uit de herinnering aan het rijk en de cultuur van de Romeinen van de late oudheid. Nadat de grote kerkvaders (Ambrosius, Hiëronymus en Augustinus, en Boethius en Cassiodorus) de christelijke leer hadden onderbouwd en ontwikkeld met klassieke elementen, probeerden de Karolingers de christelijke cultuur te verrijken met diezelfde klassieke elementen. Behalve belangstelling voor de vroegchristelijke cultuur was er daarom ook veel aandacht voor het werk van de klassieke auteurs.