Kopiëren
Voor het afschrijven, het kopiëren, van een boek in de oudheid of Middeleeuwen was er een aantal verschillende methodes. Voorwaarde was altijd dat de originele tekst van goede kwaliteit moest zijn. Was er één kopie nodig, dan werd het betreffende boek op een lessenaar boven of naast de schrijflessenaar gelegd. De schrijver las een gedeelte van de te kopiëren tekst, memoreerde die tekst en schreef hem uit. Waren er meerdere exemplaren van een boek nodig, dan las iemand op schrijfsnelheid de tekst voor en zo was het mogelijk om naar gelang de hoeveelheid kopiisten die werden ingezet, een ‘oplage’ boeken af te schrijven (dicteermethode). In de Middeleeuwen gebeurde dit laatste vooral in commerciële
scriptoria. Soms werd voor een hogere ‘oplage’ de katernen uit het originele boek los gehaald. Iedere
kopiist kreeg een paar van die katernen en schreef zo zijn deel. De productietijd van een boek werd zo aanzienlijk vergroot. Deze methode werd in de Middeleeuwen toegepast. In de oudheid gebeurde het kopiëren meestal door geletterde slaven die we ook wel een
scriba noemen. In de Middeleeuwen waren het vooral de monniken (of soms nonnen) die teksten kopieerden.