Inkt
De middeleeuwse
kopiist maakte zijn inkt zelf. De eenvoudigste manier om inkt te maken is om een kleurstof toe te voegen aan water, zoals het Van Dijck-notenklontjesbruin dat ook wel walnootinkt wordt genoemd. Walnootinkt is een bruine inkt, lichtecht maar niet watervast. Voor zwarte inkt was de belangrijkste grondstof roet en in water oplosbare gom. De meest favoriete inkt die vanaf de Romeinse tijd al wordt gebruikt, is IJzergallus inkt. Deze inkt wordt gemaakt van galappels, vitriool (ijzersulfaat), arabisch gom en water. De gom, het vitriool en de galappels kunnen in droge vorm volgens recept worden gemengd. Op deze manier is de inkt lange tijd houdbaar, omdat schrijfklare inkt bederfelijk is. IJzergallus inkt wordt na het schrijven steeds donkerder. Deze inkt is chemisch een zogenaamde instabiele stof: de zuren in de inkt tasten de tekstdrager zoals papier of perkament aan, met als gevolg dat er gaten in het papier of perkament vallen. Dit verschijnsel wordt inktvraat genoemd. Momenteel worden er verschillende methoden getest om het inktvraatproces te stoppen.